Bijna altijd vrouwen

Posted on 346 Keer gelezen
Hij is negen, al bijna tien, en praat overtuigend over energie en geesten.

‘Ze stralen licht uit, maar niet altijd. Er is ook wel eens een negatieve, die duw ik dan weg.’ Met zijn handen maakt hij een langzaam duwende beweging ter illustratie. ‘Ik voel ze dan nog wel, maar het is dan net of…’ Hij zoekt gebarend naar de juiste woorden, maar vindt ze niet.
‘Op afstand zijn?’ help ik.
‘Ja, op afstand ja.’ Met zijn wijsvinger duidt hij die afstand, richting de deur.
‘En het zijn ook bijna altijd vrouwen.’ Hij moet er zelf om giechelen.

Hij kijkt afwachtend of zijn moeder het beamen wil, maar het blijft angstvallig stil. Wel wrijft ze wat geschrokken over haar rechterarm en schouder.

‘Ooh,’ verzucht zoonlief, die zelf geen schroom voelt bij het vertellen en blijkbaar heeft besloten dat zijn moeder ook maar eens wat opener moet durven zijn. ‘Ik zag dat jij het ook zag. Je keek precies naar de plek waar ik die geest zag staan. Geef het nou maar toe.’
Ze focust op mijn blik om die van haar kind te ontwijken. Ze heeft er nooit zo over gepraat, behalve dan dat ze wel eens duidt wat haar zoontje voelt als ik hem behandel. Dat voelt ze in haar eigen lichaam en vindt ze dan wel vreemd. Nu haar zoontje meer voelt dan goed voor hem is en zelf aangeeft daarin meer rust te willen neemt ze dat serieus, behalve zichzelf. Vroeger mócht ze er niet over praten, terwijl ze als kind wel dingen zag. Of fantaseerde, daar is ze nog niet uit.
‘Ik voelde wel warmte hier,’ beaamt ze dan blozend en strijkt vervolgens over het hele gebied tussen haar heup en oksel. ‘En ook hier werd het helemaal warm, alsof het zo mijn zij in kwam.’
Haar ogen vragen nog steeds of het wel kan wat ze heeft gevoeld.
Haar kind is onvermurwbaar. ‘Geloof het nou maar, ik kan ze zo voor je uittekenen.’

Delen

Hij was 3 en had een BDE

Posted on 360 Keer gelezen
Hij is boos en in zichzelf gekeerd, nadat hij op 3-jarige leeftijd van het klimrek was gevallen, met zijn hoofd net naast de rubberen tegels.

Volgens de moeder had hij een BDE (bijna-doodervaring), waarover hij haar één keer heeft verteld, vlak na het ontwaken uit zijn coma. Hij vertelde over mama die bij hem stond en huilde toen hij was gevallen. Over papa die in het huis ging bellen naar de dokter. Over de helikopter die was gekomen en hem had meegenomen naar de kamer met de dokters in de witte jassen die druk over hem praatten. Hij omschreef de kamer waarin hij tijdens zijn coma verbleef en wat daarin was gebeurd tot in detail.
Ook vertelde hij dat hij van opa terug moest naar de aarde om mama te helpen. Zijn had hem nodig, had opa gezegd.
Hij was boos op opa omdat hij niet verder met hem mee mocht het restaurant in, zoals hij het zelf noemde.

Hij kon het allemaal niet weten, vertelt moeder. Althans, niet bewust. Het was immers pas dagen later dat hij op een andere kamer uit zijn coma was ontwaakt. Daarbij had hij haar vader bij leven nooit gekend, maar wees hem na het ongeluk aan als dé opa op de oude foto in de huiskamer van haar broer.

Inmiddels is hij vijf jaar oud. Behalve zijn onrust en boze buien die steeds ongecontroleerder worden maakt moeder zich vooral ook zorgen over zijn gevoeligheid. Ze voelt en vermoedt dat de aanwezigheid van haar overleden vader een rol is gaan spelen, terwijl hij er niet meer over praat.
Maar hoezeer ze ook probeert er met haar zoontje over te praten. Hij laat niemand meer toe in zijn beleving, ook zijn moeder niet.

Wat schuchter komt hij binnen in mijn praktijk.
Op de kruk begint hij al snel te vertellen over het klimrek en wat daar is gebeurd, over de helipkopter die landde en hem meenam naar de kamer met de dokters in de witte jassen. Opa vindt hij niet meer lief.
‘Waarom vind je opa niet meer lief?
‘Hij komt op mijn kamer als ik wil slapen en dat wil ik niet. ‘

Als hij in de stoel ligt leg ik mijn hand op zijn buik om zijn ademhaling te controleren.
‘Heb je opa verteld dat je het niet fijn vind als hij komt?’ vraag ik.
Hij knikt nee alsof dat niet eerder in hem is opgekomen.
Ik vertel hem over het ademhalen. Dat hij zelf mag beslissen of opa op zijn kamer mag of niet. Dat, als opa niet goed wil luisteren, hij tot ver in zijn buik kan ademen, waardoor hij opa niet meer zal voelen of zien, als hij dat niet wil.
We oefenen samen in het bollen van onze buiken.
Hij is er best goed in. Kinderen zijn er over het algemeen best goed in wanneer we dit samen oefenen.

De week erna komt hij opnieuw in mijn praktijk
‘Hoe gaat het met je? vraag ik.
‘Goed.’
‘Niet meer boos geweest?’
‘Nee’
‘Opa nog gezien?’
‘Nee. ‘
‘Goed op je buik gelet dus.’
Hij knikt trots en volmondig.

Delen

Manuscript

Posted on 0 Keer gelezen

Hoofdstukje uit manuscript met als werktitel De nacht:

Ik trek de dekens verder over me heen. Nog even.
Stan trekt plagend de dekens weer van me af.
‘Opstaan, Floor. Tijd!’
‘Mmh,’ kreun ik. Tegelijkertijd hoor ik Sem en Daan alweer kibbelen, maar zelfs dat gaat inhoudelijk aan me voorbij.
Met veel tegenzin kom ik half slapend overeind, zoek zittend op de rand van het bed naar mijn pantoffels en slof dan zwaar zuchtend naar beneden, alsof mijn lichaam vannacht tien kilo zwaarder is geworden.
Ik open de koelkast, pak de jam, de boter en de hagelslag en zet alles met een nonchalant gebaar op tafel.
‘Koffie, thee?’ Het klinkt niet van harte, oordeel ik zelf.
‘Koffie. Als het u niet teveel is,’ zegt Stan op een uitdagende, zeer wakkere toon.
Ik geef geen respons.
‘Wat is er?’
‘Niets.’
‘Slecht geslapen?’
‘Nee.’
‘Zal ik je even wakker maken?’
‘Nee.’ Ik ken zijn manier van wekken. Als hij zelf wakker is moet de hele wereld wakker worden, desnoods gekieteld.
‘Stan. Weg!’ zeg ik snerpend als hij naar me toe komt lopen, maar het is al te laat.

Als de rust in huis weer is teruggekeerd, Stan naar zijn werk is en de kinderen weer naar school, bereid ik me voor op een drukke agenda. Vanochtend een bruidsmake-up, vanmiddag twee schoonheidsbehandelingen, vanavond ook volgeboekt tot half elf.
Ik blader door de rest van de week. Dat ziet er al niet veel anders uit.
Om tien uur doe ik open voor mijn eerste klant, pak haar jas aan en loop voor haar uit de salon in. Ze kent de routine en begint alvast haar blouse los te knopen, terwijl ik mijn handen was, het plastic teiltje vul met warm, maar niet al te warm water en vervolgens de stoel met het voetpedaal in de juiste stand zet voor haar om erin te stappen.
‘Neemt u plaats, mevrouw,’ zeg ik overdreven ludiek om te verbloemen dat ik er vandaag geen zin in heb.
Ik dek haar toe, stop de overhangende flappen van de deken tot ver achter haar schouders en verman mijzelf haar een zo comfortabel mogelijk gevoel te geven.
‘Zo, lekker warm,’ zeg ik en strijk behagend over de deken rond haar schouders, maar de intentie van mijn woorden klinkt niet in mijn stem.
Ik neem plaats op de kruk, trek de verrijdbare werktafel dichter naar me toe en bereid de huid voor met warme kompressen.
Zij vertelt over haar zwangerschap, de babykamer, het zwangerschapsverlof en de pijnlijke krampen in haar onderbuik. De grote lijnen volg ik, inhoudelijk gaat het als een onsamenhangende woordenvloed aan me voorbij.
Als ik het decolleté en daarna het gezicht masseer blijft het stil.
Ik verzink in gedachten, maar zelfs die krijg ik vandaag niet geordend. Ik voel pijnen, moeheid, van alles tegelijk.
‘Hoe staat het met de klandizie? Veel respons gehad op het artikel in de krant?’
Ik schrik op van haar vraag waarop ik liever niet wil antwoorden. Sinds het artikel in de krant verscheen ben ik onophoudelijk aan het werk. Het is alles dat ik wilde, meer dan ik hoopte. In die zin heb ik niets te klagen, maar vermoeiend is het wel.
‘Er komen nog steeds nieuwe klanten bij,’ zeg ik en registreer opnieuw de leegte in mijn stem.
‘Fijn,’ zegt ze.
‘Zeker,’ jok ik.
Terwijl ik verder masseer kijk ik naar mijn hand die opzwelt en verstijft. Ik weet niet wat het is, maar het gebeurt steeds vaker de laatste tijd, vooral tijdens het behandelen. Mijn vingers voelen stram, pijnscheuten trekken voorbij mijn elleboog mijn arm in en ik voel voortdurend die tinteling als speldenprikken in mijn vingertoppen. Ik ga rechter op mijn kruk zitten, strek mijn schouders naar achter, laat onopvallend mijn rechterarm langs mijn lichaam bungelen, maar het helpt allemaal niets.
Als de behandeling klaar is vraag ik of ze een nieuwe afspraak wil.
‘Jazeker. Het was weer heerlijk, Floor. Mijn zwangerschapspijnen verdwijnen hier als sneeuw voor de zon.’
Als ik heb afgerekend loop ik naar de keuken voor twee keer vijfhonderd milligram paracetamol.

Delen